
Bewoners Arendsdorp
De eerste ons bekende eigenaars van Arendsdorp zijn mr. Balt en mr. Jan Plumeon. Door vererving gaat het landgoed over op de familie Benninck. In 1586 koopt jonkheer Arend van Dorp, medestander, financieel adviseur en geldschieter van Willem van Oranje, het landgoed. Zijn dochter, weduwe van Charles du Becq, baron van Bours en heer van Villebon, doet het bezit in 1643 over aan haar achterneef Van Dorp jr., die het landgoed zijn naam gaf. Diens erfgenamen verkopen in 1683 het landgoed aan Hugo du Bois, commies-generaal-fiscaal ter recherche van de gemene landsmiddelen. Zijn dochter Johanna draagt vervolgens in 1720 de hofstede over aan Johan baron van Honstein. De buitenplaats blijft tot 1808 het bezit van de familie Van Honstein. In 1808 wordt mr. H. baron Collot d’Escury eigenaar van Arendsdorp. Zijn dochter E.H.E. barones van Tuyll van Serooskerken brengt door de aankoop van Oostduin in 1845 de buitenplaats Arendsdorp met Oostduin en Waalsdorp in één hand.
Bewoners Oostduin
De oudst bekende eigenaars van Oostduin zijn leden van het geslacht (Oem) van Wjjngaerden. In 1565 wordt bij de deling van de nalatenschap van Adriana en Catharina van Wijngaarden het landgoed Oostduin toegewezen aan mr. Jan van Wjjngaerden, domheer en scholaster in Luik. Na verloop van tijd schenkt hij het aan zijn zwager dr. Charles Tserclaes, de echtgenoot van zijn zuster Maria.
In 1581 wordt de buitenplaats gekocht door de tafelhouder Baptista de Montavaldone. In 1597 namen Marcus Duvoet en Jacques Mirou, juweliers en geldschieters, het huis over – waarschijnlijk als beleggings- of speculatieobject.
In 1613 wordt Hieronymus Bovetius eigenaar, ongetwijfeld om het huis en de boomgaard te gebruiken voor ontspanning. Tussen 1617 en 1624 koopt hij er voor en achter het huis nog enkele perceeltjes land bij. Na zijn dood dragen de erfgenamen in 1634 het landgoed over aan jr. George Gleser.
Latere eigenaars zijn achtereenvolgens:
1672 – 1707: Familie van Liere, door het tweede huwelijk van Glesers schoondochter met jr. Frederik van Liere. De van Lieres vergroten het bezit nog enigszins door aankoop van land aan de zijde van de huidige Wassenaarse weg.
1707 – 1708: De controleur der fortificatiën Willem Paan (door koop).
1708 – 1728: Mr Hendrik Fagel (I), commies der Staten-Generaal. Deze rondt in 1708 door koop het bezit tot de huidige oppervlakte af. Hij sterft ongehuwd en laat het goed na aan zijn neef.
1728 – 1790: Mr Hendrik Fagel (II), sinds 1744 griffier van de Staten-Generaal. Deze koopt in 1738 de aangrenzende boerderij Westerhoek en in 1757 de buitenplaats Waalsdorp. Na zijn dood wordt zijn kleinzoon eigenaar.
1790 – 1803: Mr Hendrik Fagel (III), eveneens – van 1790 tot 1795 – griffier van de Staten- Generaal.
1803 – 1806: W.R. baron van Tuyll van Serooskerken, gehuwd met een dochter van mr. H. Fagel (II).
1806 – 1808: C.W. Wijborgh.
1808 – 1845: Mr N.W. Hartman en na hem zijn dochter en schoonzoon van Doeveren.
Na de samenvoeging
Op 18 augustus 1845 wordt Oostduin aangekocht door E.H.E. barones van Tuyll van Serooskerken, geboren Collot d’Escury. Zij is dan door erfenis al in het bezit gekomen van Waalsdorp en Arendsdorp. Bij haar dood in 1854 laat zij haar gehele bezit na aan haar minderjarige kleinzoon Carel van Bylandt, de enige zoon van haar in 1849 overleden dochter Maria Henriëtta van Tuyll van Serooskerken, echtgenote van mr. E.J.A. graaf van Bylandt.
Mr. Carel J.E. graaf van Bylandt laat bij zijn overlijden in 1902 slechts één dochter na, M.A.O.C. gravin van Bylandt. Deze moet in de jaren vóór 1940, door de uitbreiding van Den Haag gedwongen, haar gehele bezit, met uitzondering van het huidige park Oostduin-Arendsdorp, verkopen. In 1943 verlaat zij Oostduin voorgoed.
In het artikel Verdreven uit het paradijs lees je meer over freule Marie van Bylandt en haar band met het landgoed (met dank aan weekkrant Den Haag Centraal die dit artikel beschikbaar stelde voor publicatie).
In 1947 wordt het landgoed het eigendom van de Stichting Oostduin, die het in 1958 als park kosteloos voor het publiek openstelt. De gemeente Den Haag neemt daarbij de restauratie en het onderhoud voor haar rekening.
Personeel

Om het landgoed in stijl te kunnen bewonen, hadden de eigenaren en hun verwanten personeel in dienst, zoals mensen die kookten en schoonmaakten, tuinlieden, timmerlui en andere vaklieden. Een deel van het personeel zal op het landgoed gewoond hebben omdat ze zich om de dagelijkse verzorging van de bewoners bekommerden. Ander personeel woonde elders en zij konden met het geld dat ze op het landgoed verdienden in veel gevallen hun gezin onderhouden.
Over de eigenaren en hun verwanten die in de loop der eeuwen het landgoed bewoonden is het nodige bekend doordat zij aantekeningen en goederen achterlieten. Over mensen die de pracht en praal met hun vakkennis en hun handen realiseerden is minder bekend. Maar we weten wel wat van sommige personeelsleden die werkten bij M.A.O.C. gravin van Bylandt, de laatste eigenaar-bewoner van het landgoed die tussen 1874 en 1943 op het landgoed woonde.

Een enkele medewerker van de gravin liet zijn memoires na en van andere medewerkers weten wij meer door verhalen van hun (klein)kinderen. Over de makers van het landgoed gaat dit deel van deze website.
Het onderdeel personeel is opgesteld door Marthe Fuld, vrijwilliger bij de Tuin van Oostduin. Zij heeft zich gebaseerd op door betrokkenen aangeleverde informatie en neemt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de tekstbijdragen bij dit onderdeel. De foto’s komen uit de archieven van de families Kraaij en De Wit en dat van M.A.O.C. gravin van Bylandt.
Antoon Kraaij, bloemist


Antoon Kraaij (1910 – 2004) kreeg de tip van een bekende om als bloemist bij de freule te gaan werken. In het voorjaar van 1932 leende hij daarom een gleufhoed om in stijl te kunnen solliciteren bij de hooggeboren dame. Terwijl Antoon het landgoed bezocht, wachtte zijn verloofde daarbuiten op hem in het rosarium op het Jozef Israëlsplein.
Nadat Antoon bij het landhuis was gearriveerd werd hij door een butler aangediend bij de gravin die hij ‘een statige, mooie en vriendelijke dame’ vond. Hij liet haar zijn diploma’s en getuigschriften zien en merkte dat de gravin, die graag Frans sprak, het kon waarderen dat Antoon een tijdje in Frankrijk had gewerkt en bekend was met die vreemde taal waar de gravin zo van hield.
Hoewel Antoon als hij bij de gravin ging werken niet bij zijn ouders in Aalsmeer kon blijven wonen en een kosthuis in Den Haag moest zoeken, was het weekloon van 22 gulden per week dat de gravin bood een verbetering ten opzicht van de 19 gulden die Kraaij tot dan toe verdiende. De nieuw benoemde bloemist kon in de kost komen bij de baas van de kwekerij. Van 22 gulden zou Antoon 11 gulden aan kostgeld betalen aan zijn kostgezin in de Heesterstraat in Den Haag.
De werkweken in die tijd waren wel wat langer dan tegenwoordig. Op zaterdag werkte het personeel tot vier uur ’s middags en om de week had de bloemist ook zondagsdienst, wat betekende dat hij zijn verloofde in Aalsmeer eens in de veertien dagen kon ontmoeten (in een tijd dat er geen social media bestonden, de meeste mensen ook nog geen telefoon hadden en alleen de rijken zich een auto konden permitteren).
Elke dinsdag en zaterdag zette Antoon in het landhuis van de gravin nieuwe boeketten in de vazen en elke ochtend maakte hij een ronde door het gebouw om de vazen te controleren en bij te vullen. Hoewel de bloemist zich vrij door het huis kon bewegen, denkt hij toch dat zijn eerlijkheid op de proef werd gesteld, omdat hij op een ochtend een vrij groot geldbedrag aan munten en bankbiljetten onbeheerd op een tafel zag liggen. Was dat om zijn eerlijkheid te testen?
Aan deze bloemist had de gravin op een gegeven moment niet voldoende. Ze wilde het nog chiquer hebben dan Antoon Kraaij het kon en er werd een gerenommeerde bloemist uit de stad ingehuurd om arrangementen te maken, waardoor Antoon het gevoel kreeg dat hij over onvoldoende artistieke kwaliteiten beschikte. Hij zat er niet zo mee en zorgde ervoor dat er voldoende bloemen binnen kwamen, hielp met het schikken van de kleinere vazen en bracht dan alles op de kamers.
In het veertig meter brede gravinnelijk huis met tal van trappen en overloopjes stonden de nodige dure vazen. Antoon schreef daarover: ‘Het is me eens gebeurd dat ik zo’n kostbare vaas heb gebroken. Ik schrok me te pletter maar toen ik het de freule persoonlijk vertelde werd het schouderophalend aangehoord, terwijl ik had verwacht dat het wel eens mijn ontslag zou kunnen betekenen. De vaas met de stukken heb ik later nog mee naar huis genomen maar toen ik hem gelijmd had en het weer een mooie vaas was geworden bleek hij zo groot dat hij in ons kleine huisje niet paste en onder de vloer werd opgeborgen bij het koper en de radio die we daar ook al voor de Duitsers [sic] verstopt hadden.’
In het grote huis met de nodige medewerkers kwam de bloemist nogal vaak iemand tegen, ook de freule die hij dan begroette met ‘Goedenmorgen Freule!’ waarbij ze, zo viel het de bloemist op, altijd teruggroette. Blijkbaar was zoveel wellevendheid van een hoger naar een maatschappelijk gezien lager persoon in die tijd niet gebruikelijk. Ondertussen verblikte of verbloosde de bloemist niet als hij soms een van de twee butlers tegenkwam die op een zilveren schaaltje het voer voor de kat ‘Graaf Sambo’ ging brengen. Dat de kat Sambo werd genoemd komen we ook in andere teksten tegen, maar waarschijnlijk werd de toevoeging ‘graaf’ alleen door het personeel gebruikt.
Antoon deed meer dan het dagelijks verzorgen van de bloemen. Zo tekende hij, toen hij al enkele jaren bij de gravin werkte, op verzoek van de kwekerijbaas een kassencomplex met drie afdelingen en een ketelhuis. Zo zouden allerlei heesters eerder in bloei kunnen komen. De uitwerking van dit plan zou zeer kostbaar zijn, maar de freule ging snel met het voorstel akkoord. Mogelijk omdat ze het gewoon alleen maar leuk vond, of omdat zij met de vroege bloemen indruk kon maken op haar gasten, of misschien wel allebei. Antoon kreeg in ieder geval voor zijn idee een geweldige salarisverhoging. Hij verdiende nu geen 22 gulden meer per week, maar wel 25.
Middenin de Tweede Wereldoorlog, toen de gravin al niet meer op het landgoed woonde, ging Kraaij nog meer verdienen, doordat hij werd gevraagd voor een baan bij de Haagse Duinwaterleiding.
Clandestien hield Antoon, buiten medeweten van bezetter of gravin, op het geconfisqueerde landgoed in de karige oorlogstijd nog een moestuin aan.
Collega’s
Antoon Kraaij was lang niet de enige medewerker van de gravin. Alleen al van het onderdeel groenbeheer komen de nodige namen en functies voorbij. Zo schrijft Kraaij: ‘Het ,,tuinpersoneel”, waarbij ik als bloemschikker behoorde, trof ik aan in het schaftlokaal, deel van een vrij groot gebouw waarin naast het kantoor van […] ook een paar schuren, die voor opslag van rietmatten, broeiramen enz. waren bestemd. [Daarnaast] waren daar ook de fruitbaas Nijk, die zich uitsluitend bezighield met de boomgaard, de fruitkelder, de kersencannel, de druivenkas en de verzorging van de perzikleibomen die bij tientallen tegen de betonnen schuttingen waren geplant. Hij ging eveneens over de groentenafdeling waarvoor hij tevens over Koos Teunissen kon beschikken, een vakman op zijn gebied en Willem Keereweer en “Ouwe Piet van Swieten” die altijd het grove werk deden. Voor de bloemkwekerij waren daar Gerrit Varik en Sikko Rinkema totaal 8 man. Al spoedig werd mij verteld dat dit slechts de kleinste helft van het personeel was die voor de verzorging van het landgoed aanwezig was. Aan het andere eind van het landgoed was een dergelijk schaftlokaal, waar de bosbaas van der Kwaak de scepter zwaaide over een kleine 10 man bospersoneel.’
Met elkaar profiteerden de collega’s van de overdaad op het landgoed, zodat ‘je er voor je gevoel ook niemand aan tekort deed door zo af en toe wat mee naar huis te nemen. Was je thuis wat aan het klussen dan kon je bij de timmerman altijd wel wat hout, spijkers, schroeven of wat ook bekomen, de schilders waren gewoon blij geloof ik als ze je bij die gelegenheid een pot verf konden meegeven. Daar stond dan natuurlijk wel tegenover dat, als zij op hun beurt wat nodig hadden, zij van jou een mooie bos bloemen, een cyclaam of een begonia mee naar huis konden nemen’.
Hoewel de collega’s misschien enigszins leden onder het strenge gezag van de gravin, profiteerden zij ook van de in hun ogen megalomane overvloed op het landgoed en heerste er op het landgoed een bijzondere economie . De fruitbaas moest er bijvoorbeeld voor zorgen dat er ‘zowel ‘s zomers als in de winter volop groente en fruit voor het huis beschikbaar was. Wat het kostte, dat deed er niet toe. Gevolg was, dat er van alles altijd te veel was. […] Er restte ons eigenlijk niets anders dan het voor moeders mee naar huis te nemen. Op het werk zorgde je er altijd voor een jute zak te hebben waar alles in verdween, dit onder onze lijfspreuk “Waait er niks in, dan waait er niks uit”. Dientengevolge aten wij soms al vroege bloemkool of komkommer als de andere mensen bij je in de buurt daar financieel nog niet aan toe waren’.
Toen tijdens de Tweede Wereldoorlog de schaarste op alle fronten toenam, kon één van de collega’s een hele kaas kopen die hij met ware koopmansgeest voor het dubbele bedrag doorverkocht aan de gravin en hij zichzelf op die manier ook zo’n kaas kon veroorloven. Antoon werd door de collega ruimhartig in de gelegenheid gesteld hetzelfde te doen.
Collega’s hielpen Antoon Kraaij bij de inrichting van de woning die hij bij zijn trouwen in 1934 huurde in de Larensestraat in Den Haag: ‘Met grote medewerking van de heer Maasse, de lange stoffeerdersbaas van de gravin, werd ons huisje keurig ingericht. Matting op de vloer, mooie gordijnen voor de ramen, het zag er allemaal piekfijn uit. Op de drie slaapkamers in de keuken en de gang was mooi zeil gelegd, op de trap een mooie loper, ik zou nu nog wel eens willen weten wat die aardige mijnheer Maasse voor dat alles gerekend heeft, maar hij zal bij mij, (in tegenstelling tot zijn werkzaamheden voor de freule) niet het meeste verdiend hebben. Zodoende had An aan de inrichting en schoonmaak van ons knusse huisje niet het minste werk. Omdat we nog geen kapstok rijk waren hebben de timmerlui er toen maar een voor ons gemaakt. En een hele fraaie!’
De timmerlui maakten ook een boekenplank voor het jonge echtpaar en bovendien schonken alle collega’s met elkaar een mooie pendule ‘die ze natuurlijk bij de klokkenmaker van de freule in de Javastraat voor een zacht prijsje hadden gekocht zodat we er maar mooi en gezellig bijzaten op dat mooie pleintje’.
Persoonlijke ontwikkeling
Antoon Kraaij werd geboren in 1910. Toen hij al meer dan tachtig jaar oud was, schreef hij zijn herinneringen op aan zijn ongeveer dertienjarig dienstverband bij gravin M.A.O.C. van Bylandt. Hij herinnert zich haar als een statige en monumentale dame die haar personeel en verdere medewerkers om haar heen van haar grote rijkdom liet profiteren. Maar ook herinnert Kraaij zich dat ‘de door haar zonder prestatie overgeërfde rijkdom’ de gravin zoveel macht bezorgde dat ze haar medewerkers naar haar believen kon ontslaan. Zijn ervaringen op het landgoed hebben Kraaij, ondanks zijn respect voor de persoon van de gravin, gesterkt in zijn socialistische opvattingen.
Antoon Kraaij kwam uit een groot Rotterdams gezin, dat (als je de miskramen van zijn moeder en de jonggestorven kinderen niet meetelt) uit negen broers en zussen bestond. Zijn vader werkte als boekhouder bij een vernikkelinrichting en zijn moeder zorgde voor het huishouden. Toen Antoon elf was, werd hij wees, omdat zijn vader al eerder aan bloedvergiftiging was gestorven en zijn moeder in 1921 stierf omdat zij – naar de woorden van Antoon Kraaij – afgeleefd was. Zo kwam Antoon na diverse andere adressen bij een pleeggezin in Aalsmeer en ging hij in de leer op de proefkwekerij van de Aalsmeerse bloemenveiling. Daar werkte hij niet alleen met planten maar tikte ook brieven, omdat hij op de ULO een typediploma had behaald. Naast zijn werk op de kwekerij volgde Antoon de Handelsavondcursus.
Kraaij wist zich nog te herinneren ‘dat de mensen die in de land- en tuinbouw werkzaam waren voor het allereerst drie dagen vakantie kregen. Nog heel goed weet ik dat een stel mensen van dik 60 jaar dat daar van jongs af aan had gewerkt echt niet wist wat ze met die paar vrije dagen, die ze voor het eerst van hun leven kregen moesten doen’.
Rond 1930 werkte Kraaij een tijdje bij een kwekerij in de Franse Elzas en vervolgens deed hij ervaring op bij diverse bedrijven in de buurt van Aalsmeer.
Hoewel de gravin zeer grote delen van haar grondbezit had verkocht, omdat de gemeente zo’n landhonger toonde vanwege de woningnood (in 1870 kende Den Haag ongeveer 100.000 inwoners. In 1900 was dat aantal verdubbeld tot zo’n 200.000 en in 1930 waren het er circa 400.000) kon Antoon Kraaij bij zijn trouwen (1934) vrij makkelijk voor 5,80 gulden in de week een woning met drie slaapkamertjes huren in de Larensestraat op nummer 35 waar hij later met zijn vrouw An twee kinderen kreeg. In de voorgaande periode was er blijkbaar flink gebouwd (en/of waren er minder mensen in een eigen woning geïnteresseerd doordat zij bijvoorbeeld te lijden hadden van de economische neergang in die periode van crisisjaren) waardoor er – ondanks de grote bevolkingsgroei – in 1934 voldoende aanbod van woningen was.
In de loop van de Tweede Wereldoorlog kon Antoon Kraaij bij de Duinwaterleiding gaan werken, waar hij uiteindelijk opklom tot hoofd Beplantingen.
Deze tekst is gebaseerd op de memoires van Antoon Kraaij ‘Herinneringen aan een rijk leven’ https://issuu.com/guidoromeijn/docs/herinneringen_aan_een_rijk_leven

Leen Kraaij, stoker
Toen in 1941 de stoker van de kassen in de tuin zijn ontslag had gekregen (of genomen), was binnenschipper Leen Kraaij (1895 – 1989) toevallig net zonder werk genomen. Door bemiddeling van zijn broer, bloemist Antoon Kraaij, kon Leen worden benoemd op de vacant gekomen functie van stoker bij de gravin Van Bylandt. Als stoker zorgde hij voor het ketelhuis van de kassen, maar ook voor de centrale verwarming en de losstaande kachels in het huis.
Tijdens de oorlog was er al gauw geen olie voor de ketels meer te krijgen en moest Leen met massa’s houtblokken stoken. Dit hout kwam van het landgoed van de gravin.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen de Duitsers het landgoed van de freule in beslag en werd het merendeel van het personeel ontslagen. Omdat de Duitsers de drinkwatervoorziening veilig wilden stellen, werd de directeur van de Duinwaterleiding ondergebracht in een van de woningen op het landgoed. Deze directeur zorgde ervoor dat Leen als stoker bij de Duinwaterleiding in dienst kwam.
Persoonlijke zaken
Leen was het oudste kind van het Rotterdamse gezin Kraaij. Toen hij ‘de deur uitging’ leefden zijn ouders nog en had hij acht broers en zussen, waarvan de freules bloemist Antoon Kraaij er een was.
In 1942 trouwde Leen met Stien IJzendoorn, een van de keukenmeisjes van de gravin.
Deze tekst is gebaseerd op de memoires van Antoon Kraaij ‘Herinneringen aan een rijk leven’ https://issuu.com/guidoromeijn/docs/herinneringen_aan_een_rijk_leven

Piet de Wit, timmerman
Piet de Wit liet geen memoires of andere belangwekkende geschriften na, maar door de verhalen die hij aan zijn kinderen en zij weer aan hun kinderen vertelden, weten we toch het een en ander van hem.
De timmerlui hadden hun werkplaats in een groot vrijstaand gebouw bij de boomgaard. Als we Antoon Kraaij mogen geloven, werkten onder leiding van een architect drie timmerlui bij de gravin en Piet de Wit was een van hen. Nadat haar nieuwe woning op het landgoed was opgeleverd, ging de gravin aan de slag met de verdere verfraaiing van haar huis en landgoed. Zo maakte Piet de Wit (waarschijnlijk in de periode 1926 – 1936) nieuwe kozijnen in de historische theekoepel dat nu nog prominent deel uitmaakt van het landgoed en hij werkte aan konijnenvilla Geertruida (een houten gebouw met konijnenversiering waarin vermoedelijk geen konijnen maar wel ‘gevallen vrouwen’ terecht konden om een ambacht te leren waardoor zij vervolgens op eigen benen konden staan). Ook werkte Piet de Wit aan een kamer die de gravin voor de beroemde, maar toen inmiddels in Den Haag gestorven, ballerina Anna Pavlova liet inrichten. Waarschijnlijk heeft Piet wel meer timmerwerk verricht.
In het gezin De Wit stond de gravin bekend als een excentrieke dame. Het huis met konijnenversiering was in de herinnering van een aantal van Piets kleinkinderen een blingbling konijnenhok. Om het idee dat je een luxe ingerichte kamer voor een overleden ballerina liet maken werd in het gezin De Wit besmuikt gelachen. Wie besteedde nu zoveel geld aan iemand die er niet meer was? De degelijke kozijnen in de theekoepel waren overigens (en zijn nu nog) de trots van de familie.
De gravin was dan misschien een excentrieke dame, zij zorgde wel voor de inkomsten van Piet. De oudste dochter van de timmerman vertelde haar kinderen meermaals dat hun opa in de tijd dat hij bij de gravin werkte aan het eind van de week thuis kwam met de woorden ‘Moeder, er is weer brood op de plank.’ Dit – en misschien wel meer – maakte dat de gravin ook wel door de familie werd gewaardeerd. Bovendien zou de gravin aan Piet de Wit (zo vertelde zijn jongste dochter haar kinderen) bij zijn uitdiensttreding een bedrag hebben meegegeven waardoor de timmerman zijn aannemersbedrijf in timmerwerken kon starten en op die manier de treden van de maatschappelijke ladder beklom.
Er is een fraai gefotografeerd portret uit circa 1928 van de timmerman met zijn oudste dochter die toen zo’n twee jaar oud was. De omgeving toont ontegenzeggelijk trekken van het landschap in Oostduin-Arendsdorp. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de timmerman voor zo’n gelegenheid een fotograaf liet opdraven. Mogelijk waren er gelegenheden die de gravin liet organiseren waarbij het personeel met hun gezin mocht komen en werd er dan zo’n foto genomen.
Familieleven
Pieter Johannes Laurens (Piet) de Wit (1892 – 1975) was de zoon van een kurkensnijder. Zo’n kurkensnijder handelde in drijfkurken voor vissers aan de Scheveningse haven. Piet heeft zijn hele leven in Den Haag gewoond. Wel bracht hij rond 1917 een tijd door in Apeldoorn, waar hij voor een van zijn zusters een kinderhuis ‘Zonnehoeve’ bouwde. Piet de Wit kwam uit een gezin met nog zes of zeven andere broers en zussen. Na de lagere school bezocht Piet de Ambachtsschool. Daarna, hij zal veertien of zestien jaar zijn geweest, ging hij werken en zo heeft hij nog meegewerkt aan het monumentale trappenhuis van de Haagse Bijenkorf. Toen dat in 1926 was voltooid is hij waarschijnlijk bij de gravin gaan werken.
Naar verluidt blonk Piet de Wit uit op de Ambachtsschool en is hij vervolgens in de bouw gaan werken als timmerman, voorman, uitvoerder en ‘baas’. In het begin van zijn loopbaan studeerde hij in de avonduren aan de bouwkundige tekenacademie.
Emma Röwer emigreerde in het begin van de jaren twintig uit Duitsland naar Nederland. Zij werd dienstmeisje bij gegoede familie en trouwde in 1925 met Piet de Wit. Ze kregen drie kinderen.
Aanvankelijk woonde het gezin De Wit in de Haagse Akeleistraat. Later verhuisden ze naar een benedenwoning in de modernere Ermelostraat. Terwijl De Wit wel enkele woningen bezat om als huisjesmelker ten behoeve van zijn pensioen te verhuren, heeft hijzelf met zijn gezin altijd in een huurwoning gewoond.
Een aardig woondetail is, dat in het benedenhuis in de Ermelostraat dat rond 1935 werd opgeleverd een badkamer zat. Zo’n badkamer was er vaak niet in de zo’n tien jaar eerder gebouwde (en beetje deftige) herenhuizen aan de Oostduinlaan, op het voormalige landgoed van de gravin. In die herenhuizen zaten dan soms wel weer twee bodenkamers waarin dienstmeisjes van de gezinnen konden wonen.
Gossip
Piet de Wit voelde zich verantwoordelijk voor zijn stappen in het leven en koos positie binnen de maatschappij. Zo was hij donateur van Buurthuis de Mussen in de Haagse Schilderswijk om daarmee mensen die het minder goed hadden dan hijzelf te ondersteunen, hij dronk uit principe geen alcohol omdat hij voor een rechtvaardige samenleving was en hij was – niet heel gebruikelijk in die tijd – voor geboortebeperking en daarom was hij lid van de Neomalthusiaanse Bond.
Het verhaal gaat dat Piet, die genoot van zijn vrije bestaan, zijn vriendinnetje Emma maar niet ten huwelijk vroeg. Totdat Emma zei: “Als je me nu niet vraagt, dan bekijk je het maar en ga ik terug naar Duitsland.” Dat was de timmerman ook weer te gortig. Daarom vroeg hij Emma ten huwelijk en kreeg hij drie kinderen met haar waar hij naar de maatstaven van die tijd goed voor zorgde: er was genoeg te eten, de zoon mocht studeren aan de Technische Hogeschool (tegenwoordig Technische Universiteit) en de meisjes hoefden niet in een dienstje, maar mochten naar de MULO (vergelijkbaar met de tegenwoordige HAVO), zodat ze op kantoor konden werken. De hoop en verwachting was dat de meisjes zouden trouwen en daarna geen betaald werk meer zouden doen.
Toen Piet tegen de zestig liep, moet hij hebben gevoeld dat er meer hartstocht in het leven mogelijk was dan binnen zijn huwelijk met Emma. Hij kreeg een affaire met een onbekende vrouw en dat werd besproken binnen de familie. Al Piets broers en zussen bemoeiden zich ermee en ook zijn inmiddels volwassen kinderen. De ene was boos en de andere vergevingsgezind. De vraag werd gesteld of de affaire niet met de dominee kon worden besproken. Hoe dat verder allemaal is verlopen is niet bekend, maar uiteindelijk bleef Piet tot zijn dood bij Emma.
Deze tekst is gebaseerd op herinneringen van de zoon en kleinkinderen van Piet de Wit.

Ander personeel
Op basis van de herinneringen van Leen en Antoon Kraaij is onderstaande indicatie van het aantal personeelsleden in dienst van de gravin opgesteld.
Inclusief de bloemist, werkten circa acht personen in de bloemen-, groenten- en fruitkwekerij.
Voor het onderhoud van het bos had de gravin zo’n tien personen in dienst.
Er waren drie schilders, een architect en drie timmerlui. Er was een stoffeerder.
In het huis en de keuken werkten zo’n twintig dames om de deur te openen, het werk in de keuken te doen, stof af te nemen en andere werkzaamheden uit te voeren. Er was personeel voor de bediening aan tafel.
Er was een zilverpoetser en een chauffeur. De gravin had een bellenmeisje en meerdere butlers en bovendien had zij een secretaresse en een gezelschapsdame. Ook had zij een administrateur en werd zij door één of meer kameniersters verzorgd.
Daarnaast werkte de gravin met zelfstandigen en uitzendpersoneel, zoals een horlogier (die wekelijks langs kwam om de klokken goed te zetten) en bijvoorbeeld schoonmaaksters van Cemsto die eens per week de buitenboel en de werklokalen een beurt gaven.
Geschat wordt dat er zeker veertig mensen voor de gravin werkten en misschien op enkele momenten zelfs honderd. Zij had mensen in vaste dienst, werkte met vrijgevestigde ambachtslieden en met uitzendpersoneel.
Meer verhalen
We vertellen graag meer over andere mensen die op het landgoed werkten. Misschien kent u verhalen over of van mensen die op het landgoed Oostduin-Arendsdorp werkten? Zo’n verhaal (hoe eenvoudig ook) is belangrijk, want daardoor kunnen we terugkijken in het leven van vroeger. We geven graag meer bekendheid aan zulke verhalen om het leven van vroeger te leren kennen. Wees niet bescheiden en deel uw verhaal met ons. U kunt uw verhaal zelf opschrijven, maar u kunt het ook vertellen en dan schrijven wij het op. Met elke kleinigheid van of over het personeel op het landgoed bent u welkom op activiteit@landgoedoostduin.nl.